Kies eerst één blikvanger: de borden, het glaswerk of de serveerschaal. Laat daarna minstens één kleur uit dat element terugkomen in een kleiner detail. Zet alle functionele stukken neer vóór je bloemen en kaarsen toevoegt. Zo ontstaat samenhang zonder dat alles exact bij elkaar hoeft te passen en blijft er plaats voor de gerechten.
Begin met wat op tafel moet staan
Zet eerst de borden, glazen, het bestek, water en de nodige serveerschalen klaar. Zo zie je hoeveel vrije ruimte werkelijk overblijft.
Voor een lunch volstaan vaak enkele basisstukken. Bij een aperitief heb je vooral kleine borden en schaaltjes nodig die gemakkelijk kunnen worden doorgegeven. Voor een diner met gedeelde gerechten moet het midden van de tafel toegankelijk blijven.
Pas daarna voeg je bloemen, kaarsen of andere decoratie toe. Dat voorkomt dat je bij het serveren meteen de helft moet weghalen.
Op een klein terras of balkon werkt dezelfde regel nog strikter. Kies voor placemats of een smalle tafelloper, beperk je tot één vaas of karaf en zet extra schalen pas op tafel wanneer ze nodig zijn.
Kies waar je kleur toevoegt
Een zomerse tafel hoeft niet overal kleurrijk te zijn. Ze heeft vooral een duidelijke richting nodig.
Je kunt kleur op drie manieren introduceren:
- laat de borden het visuele ritme bepalen;
- gebruik gekleurde glazen en karaffen naast bestaand servies;
- concentreer de kleur in één grote serveerschaal.
Herhaal daarna één tint op een tweede plaats. Groen glazuur kan terugkomen in de glazen. Een blauw detail op een bord kan aansluiten bij een kobaltblauwe karaf. De tinten hoeven niet identiek te zijn: de herhaling zorgt voor de samenhang.